De Stad Maastricht neemt in de Nederlandse geschiedenis als
"stadstaat"een aparte positie in. Tot 1795 werd de
soevereiniteit over Maastricht gezamenlijk uitgeoefend door de
Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden en de Prinsbisschoppen van
Luik. Deze tweeherigheid had tot gevolg, dat de stad Maastricht zich
in de middeleeuwen weinig gelegen hoefde laten liggen aan beide
stadsheren. Vanaf de vijftiende eeuw slaagden de stadsheren er
geleidelijk aan in Maastricht effectiever in hun greep te krijgen,
o.a. door het creeëren van speciale bestuurlijke en rechterlijke
instellingen, zoals het college van commissarissen-deciseurs.
In dit blok maakt u kennis met de bestuurlijke en rechterlijke
organisatie Maastricht in verschillende periodes van zijn
ontwikkeling. Diverse aspecten van stedelijk bestuur en rechtspraak
zullen worden behandeld aan de hand van de Statuten van 1380, het
Recueil der Recessen van 1665, de middeleeuwse raadsverdragen en wat
dies meer zij. Aan de hand van de affaire Vrinds wordt ingegaan op
de internationaalrechtelijke consequenties van de Maastrichtse
Tweeherigheid in de zestiende eeuw, toen Karel V, als hertog van
Brabant medeheer van Maastricht hoger beroep op het
Rijkskamergerecht verbood en Maastricht in feite losmaakte uit het
Heilige Roomse Rijk. Vanwege zijn strategische ligging was
Maastricht in de loop van zijn geschiedenis een vaak belegerde
vestingstad. Diverse capitulatieverdragen maken het mogelijk ook
thema’s uit de geschiedenis van het volkenrecht aan de orde te
stellen.